Pressroom

elective Sint Lucas Architectuur

Archive for oktober 2010

Interview Olivier Bastin

leave a comment »

Meneer Bastin, Uit mijn laatste gesprek met Guy Van Kerckhoven, filosoof, hadden we het over fragiliteit in de architectuur die zich plaatst op een breuklijn. Een breuk, of een cesuur, kan vele ladingen dragen, maar in het geval van uw werking zou ik dat graag zien als een architectuur op de breuklijn tussen verschillende maatschappelijke werelden. Tussen gemeenschap en autoriteit, en het verbindend karakter van architectuur. Mijn vraag voor u is dan ook hoe, volgens u, een architectuur omgaat met deze breuk. En hoe een ontwerp tot stand komt dat een levend organisme wordt, en geen esthetische sculptuur blijft…
Dat hangt natuurlijk samen met het hele proces van de architectuur. Ik ga akkorrd met de idee dat fragiliteit op die breuklijn ligt, en een ontzerp delen van die werelden in zich draagt. Maar ik denk dat wanneer we het proces bedenken, we dit niet als eenvoudig, en monodimensionaal bekijken. ER zijn verschillende processen die parallel lopen. De bewonerspeceptie en de autoriteiten stellen immers andere doelstellingen, en hebben een andere benadering. Bij elke stap in het ontzerp is het dus belangrijk de vraag te stellen naar welke relaties mogelijk zijn, zodat deze stap een soort “imago” kan zijn van alle relaties, Er bestaan vele voorbeelden die dit duiden. Gisteren had ik een vergadering met enkele jongeren uit de GRaffiti scene van BRussel. ER was het idee een ronde tafel vergadering te organiseren, waarbij ik heb gesuggereerd deze vergadering op een specifieke manier te organiseren, waarbij we autoriteiten, specialisten en kunstenaars samen te brengen, en hun verschillende invalshoeken samen te brengen, om te komen tot een slotsom waarbij we een project kunnen op poten zetten dat deze verschillende werelden versmelt.
Dat sluit dan ook aan bij wat u in uw lezing aantoonde aan de hand van diverse projecten, waarbij steeds de participatieve gedachte naar voor komt, en dus de bottom-up benadering van het ontwerpproces. MAar waar gaat u dan naar op zoek, in die maatschappij?
We gaan eigelijk vooral op zoek naar de mogelijke verbindingen die we kunnen leggen. Welke positie we kunnen innemen. Ik zou ook durven te stellen dat we soms ook dingen willen duidelijk maken, zichtbaar maken. Het onzichtbare consolideren. De vraag is daarbij hoever je moet gaan. Architectuur is immers niet omnipotent, en eenieder heeft zijn verantwoordelijkheid in het maatschappelijk functioneren, waarbij de architect ook zijn rol speelt. Dat brengt ons bij de positie van de architect. Ik formuleer daarbij de positie van de architect als meester-bouwer, waarbij hij de onbetwistbare visionair van de grote waarheid is, en er massieve monolitische antwoorden geformuleerd of gepostuleerd worden. Guy Van KErckhoven reikte hierbij het voorbeeld aan van de Toren van Babel, van Breugel, die als eenvoudig en monolitische inaugurale daad geldt. MAar u positioneert zichzelf net omgekeerd, en lijkt zichzelf haast weg te cijferen in het maatschappelijk aanvoelen.
Absoluut. Misschien heeft u de lezing van Pierre Hebbelinck gezien ik de Bozar. Hij heeft een tekening getoond waarbij hij het buraeu centraal stelt en centrisch cirkels tekent die altijd maar verder uitdeinen, maar steeds het bureau centraal blijft staan. Ik zou nooit zulke tekeningen kunnen maken. Dat is onmogelijk voor mij. We moeten steeds al “particulier” werken, niet als heerser. Ik werk met onze ploeg veeleer als dialoogplatform, waarbij we op zoek gaan naar een bundeling van gedachten, waarover we discussieren. Dat brengt ons uiteindelijk tot een orientatie dit we steeds bijsturen. De evolutie van deze gedachteflow blijft manifest prominent tot de laatste fase van het ontwerp. WE trachten deze orientatie steeds vormloos te houden, en er geen beeld op te plakken. WE maken dan ook geen beelden tot een ver stadium in het ontwerpproces, net om onder elkaar als ontwerpteam, en met de verschillende actoren te komen tot de essentie van het concept. Waar willen we met die project naartoe. Indien er meteen een vorm op geplakt wordt, gaat het debat daar plots over gaan, en dreigen we die orientatie te verliezen. Ik vind het immers interessanter de gedachten te laten evolueren dan de vorm. Dat bezit volgens mij een grotere rijkdom.
Dat blijkt inderdaad een cruciaal gegeven te zijn. De vraag bestaat dan ook naar hoe je, eens die orientatie duidelijk wordt, ze gaat vertalen naar een concrete materiele vorm. JE kan wel lang praten over de essentie van het project, maar ooit moet de ontwerper toch opstaan en de vorm beginnen kneden? Hoe gebeurt die omschakeling dan?
Wat daarvoor belangrijk is, is te weten dat in ons bureau er niemand eigenhandig verantwoordelijk is voor de vormgeving. Die kan immers zowel voorkomen uit enkele kruimels op deze tafelhoek, als uit een langdurig doorgedreven computeronderzoek. WE trachten gewoon elke keer als groep die vorm te laten ontstaan. Ze kan steeds beinvloedt worden. Als voorbeeld geef ik ons “Cheval Noir” project, waarbij ons oorspronkelijk idee van een recht torengebouw is moeten bijgeschaafd worden door toedoen van beperkingen vanuit stedenbouw. Zo een interpellatie heeft ons ertoe aangezet de vorm te verfijnen tot een compacter maar sculpturales volume dat aanvaardbaar was voor de stedenbouwkundige autoriteit, en ons inziens heeft dat ook geleid tot een verhoging van de architecturale kwaliteit van het project.
Wat me dus sterk interesseert daarbij is de verhouding tussen dat vormelijke project en de reactie die dat opwekt bij de andere actoren. Dat heeft dan steeds een invloed op onze aanpassingen. Dus de terugkoppeling naar bouwheer wordt dan zeer belangrijk.
Keert u wel eens terug naar uw projecten, eens ze afgewerkt zijn?
Ja, recent kreeg ik van van een man waarvoor ik 16 jaar geleden een woning ontwierp in Leuven het voorstel om eens 1 nacht te verblijven in dat huis. Ik heb dat dan gedaan, en dat bleek een behoorlijk bevreemdende ervaring te zijn. Het voelde aan als rondlopen in je eigen hoofd. Dat is een ongelofelijke ervaring.

Written by matsdekock

31 oktober 2010 at 16:28

Geplaatst in Geen categorie

Durven dromen

leave a comment »

Willem Jan Neutelings is tegen de zwart witte minimalistische architectuur, dat wordt al snel duidelijk in zijn betoog. Minimalisme, zegt hij, verstompt de zintuigen, is oncomfortabel, ondermijnt het gemoed, is een leeg cadeau met een saaie strik er om heen, is een levenloze vorm van architectuur. Ikzelf vind dat hij dit te zwart wit bekijkt. Tenslotte is het een stroming die jarenlang geleefd heeft en die velen meenam in haar kielzog.

Ik geloof dat het een vorm van architectuur is die net zoals alle anderen een verhaal verteld. Het is een referentie naar het toenmalige wereldbeeld, een sculptuur die getuige is van haar tijdsgeest. We mogen niet vergeten dat architectuur als kunstvorm de minst toegankelijke is, dit zorgt er dan op zijn beurt weer voor dat het de meest doordachte kunstvorm is. Geldschieters moeten overtuigd worden en dit kan enkel door een verhaal dat stevig in zijn schoenen staat. Goede fundamenten zijn de basis van ieder verhaal, dit alleen al bewijst dat ook over die strakke rechthoekige ontwerpen hard nagedacht werd. We kunnen en mogen het dus ook niet afschilderen als een doodlopend pad, de vergissing van de eeuw. 

Minimalisme kan dan wel geen dode architectuur genoemd worden, ze blaakt gewoon niet van de verbeeldingskracht. In de jaren ’80 begon het als een nieuwe noodzakelijke manier van bouwen binnen volle crisis, later werd het een vormentaal die dankzij dure materialen binnensijpelde in de high society. De cocon die ons omgeeft werd nog nooit zo pragmatisch benaderd als door de minimalisten. En daar wringt nu net het schoentje. Jarenlang durfde niemand nog de kaart van de verbeelding te spelen. 

Als je door een bibliotheek wandelt heb je verschillende soorten boeken, maar het lijkt of de afgelopen jaren slechts enkele uitzonderingen hun weg vonden naar de fictie afdeling. Dromen waren taboe, een kinderlijke neiging waar we als volwassen mensen van af moesten. Van zodra we een droom voor onze ogen zagen vernietigden we hem weer zelf. Dromen werden gezien als referenties naar een wereld die we nooit bereiken.

Maar wordt het geen tijd om het tij te keren? Mensen hebben wel degelijk nood aan dromen, het zijn deze kleine glimlachen die een dag goed kunnen maken. Het is het lichtpuntje aan het eind van de tunnel. Verbeelding is het beste medicijn en wie zijn wij als architecten om dat te ontkennen? Waarom verstoppen we onze medemensen nog in betonnen bunkers en rechthoekige zalen? Wat als we van architectuur het ticket naar het paradijs maken voor zij die het vliegtuig niet kunnen betalen?

Wat een opluchting zou het zijn als we bij het betreden van een nieuwe gebouw eens goed kunnen lachen, of net melancholisch worden, een traantje wegpikken, verbaasd zijn,… Kortom, als we iets voelen bij het betreden van een ruimte. Moet Architectuur niet enkel met ruimtes spelen, maar er ook voor zorgen dat de ruimtes met ons spelen? Moeten wij als architecten geen dromen creëren en ze een stapje dichter bij de mensen brengen?

Het is een trend die al voelbaar is. Een tweetal jaar geleden liep de tentoonstelling ‘design with a smile’ in het designmuseum. Een tentoonstelling die toonde hoe ontwerpers humor in hun werk brengen. Een schot in de roos als je het mij vraagt.

In de mode spreken ze over trends als ‘Alice in wonderland’ en haalt men inspiratie van over de hele wereld. Ontwerpers als Dries Van Noten combineren de  wildste patronen met eenvoudige ontwerpen.  Dandy schoenen met veel krulletjes beginnen het straatbeeld te domineren en H&M brengt steeds meer kleren uit met bloemen en prints.

De Campana’s maken furore met hun fantasierijke stoelen en in de schilderkunst vinden we steeds vrolijkere kleuren terug. De tijd van het zwart-wit lijkt voorbij te gaan. Ik ben ervan overtuigd dat dit fenomeen ook in de architectuur zal volgen als een nieuwe generatie ontwerpers maar durft om weer te dromen.  

 Ter verduidelijking: Het laatste stuk is nog maar een ideetje, dit moet nog uitgepuurd worden.

Written by liselottepieters

29 oktober 2010 at 19:54

Sloppen

leave a comment »

Sloppenwijken. Ze komen voor in alle minder ontwikkelde delen van de wereld. Of het nu gaat om een grauwe woonblok in een voormalig Oostblokland, een samenraapsel van golfplaten in India dat elk jaar weggespoeld wordt door moessonregens of een favella in Brazilië waar drugshandel de belangrijkste lokale economie is…

Een bijkomend probleem is dat deze sloppenwijken een constante groei kennen. Steeds meer gezinnen moeten zich aansluiten bij de armzalige kampen die zich kilometersver uitstrekken. Deze schijnbaar onoplosbare situatie vraagt om een passend ontwikkelingsplan die de nodige faciliteiten ter beschikking van de bewoners kan stellen. Vroeger betekende dat vaak urban planning, met doorgaans desastreuze gevolgen. Hele wijken werden onteigend, huizenblokken tegen de grond gegooid om er gloednieuwe en ultramoderne gebouwen neer te poten, waar de bevolking geen raad mee wist.

De dag van vandaag, springen ontwikkelingsplannen die deze problematiek op denken te lossen, als paddenstoelen uit de grond. Hoe staan wij als toekomstige ontwerpers tegenover deze ongelukkige kwestie? Of je nu stedenbouwer, (interieur)-architect of vormgever bent, in deze gemeenschap is kennis delen en samenwerking van levensbelang, willen we deze schandalige praktijken naar het verleden verbannen!

De manier waarop men deze plannen nu ontwerpt gaat telkens volgens een vast stramien. Eerst ontstaat de ontwikkeling van een stedenbouwkundig plan, vervolgens wordt ingezoomd op één architecturaal prototype waarin men dan uiteindelijk het interieur injecteert. Is deze volgorde wel consequent? Kunnen we dus niet andersom werken, en in bepaalde situaties vertrekken van het interieur?

Als interieurarchitecten worden we geacht de noden en de tijdsgeest van onze continu veranderende samenleving te vatten en deze vertalen in een interieurconcept. Zou het niet effectiever zijn om in die informele wijken met kleinschalige aanpassingen de welvaart te verbeteren? Zo zou men bijvoorbeeld eerst een geheel van basisbehoeften kunnen installeren om vervolgens sociaal-maatschappelijke faciliteiten te creëren. Wanneer daarbij financiële of fysieke hulp van buitenaf nodig is, wat is dan de taak van (interieur)architecten?

In regio’s waar men worstelt met het sloppenprobleem worden bijna alle constructies uitgevoerd door iedereen, behalve architecten! Volgens mij moeten de architecten bij het ontwerpen van volledige wijken, meer doen dan enkel plannen tekenen en bouwmeestertje spelen. Ze kunnen volledige strategieën ontwikkelen om samen met de gemeenschap het huisvestingsprobleem op te lossen.

Om dit te kunnen realiseren in zo’n sloppenwijk, moet de ziel van de specifieke samenleving gevat worden. Ik ben ervan overtuigd dat een bezoek aan de slums de eerste stap moet zijn. Pas wanneer een creatieve geest ondergedompeld wordt in de wereld van zijn probleem, kan hij – of zij – een oplossing vinden. Vanuit die ervaring kan je vervolgens ook een gemeenschap inspireren om de huidige situatie verantwoord te veranderen.

Een mooi voorbeeld hiervan is het project “incremental housing strategy” van architecten Filipe Balestra en Sara Göransson. Ze ontwikkelden een strategie om de informele sloppen tot permanente steden om te bouwen. Dit doen ze door een verbetering van de huidige architectuur in plaats van vernieling en wederopbouw. Deze methode gebruikt de bestaande stedelijke formaties als uitgangspunt voor verdere ontwikkeling. Organische patronen die geëvolueerd zijn in de tijd worden op die manier bewaard en bestaande sociale netwerken worden gerespecteerd. “Neighbours remain neighbours, local remains local.” Om de structuur van de krotten te verbeteren hebben ze drie prototypes ontworpen en in sommige gevallen krijgen de bewoners ook inspraak.

Volgens mij kan de betrokkenheid en participatie nog meer ontstaan door kleine ingrepen in het interieur. De mensen worden op die manier persoonlijk benadert waardoor er sympathie en respect ontstaat.

De mens is kan zich makkelijk aanpassen aan allerlei situaties, dat – samen met een duim – onderscheidt ons van de dieren … Broeierige hitte, ijzige koude maar ook extreme armoede… De families in de sloppenwijken wonen in sommige gevallen al generatieslang in hetzelfde hutje. Ze hebben zich aangepast aan de status quo en accepteerden hun situatie, wat niet wil zeggen dat ze het leuk moeten vinden. Er heerst toch een soort orde in wat voor ons een chaotische vuilnisbelt lijkt te zijn. Mensen helpen elkaar, organiseren zichzelf en werken samen om er het beste van te maken. Daarom ben ik ervan overtuigd dat projecten als die van Filipe Balestra en Sara Göransson een succes zouden kunnen worden.

Dit project is echter nog in volle ontwikkeling dus vind ik wel dat we kritisch moeten blijven. Ik ben benieuwd wat de realisatie ervan zal teweeg brengen.

Niemand kan iemand uit zijn thuis rukken en hele families ontwortelen zonder bereid te zijn de gevolgen ervan te dragen. Geleidelijke en subtiele ingrepen zijn een humaner alternatief voor groei en – op de lange termijn – bloei.

 

Bronnen:

– Fairs, M (2009), Incremental Housing Stratey by Filipe Balestra and Sara Göransson, In: Dezeen design magazine, internetlink: http://www.dezeen.com/2009/05/05/incremental-housing-strategy-by-filipe-balestra-and-sara-goransson/

– Wood, L. (2008), Slums: the problem, internetlink: http://lebbeuswoods.wordpress.com/2008/01/18/slums-the-problem/

Dean, A.(2004), Samuel Mockbee: A life’s work, internetlink:http://archrecord.construction.com/features/aiaAwards/04mockbee-1.asp


Written by joliendebaets

29 oktober 2010 at 12:28

Geplaatst in RANDVERSCHIJNSELEN

Lezing Neutelings : Het einde van het Minimalisme en de goede smaak.

leave a comment »

Het einde van Minimalisme en de goede smaak.

MAXIMALISME, OF HET EINDE VAN DE GOEDE SMAAK
Verkorte versie van de voordracht ter gelegenheid van de “Leerstoel Charles Vermeersch” , Universiteit Gent, 9 oktober 2006

De opening van het nieuwe academiejaar van de Universiteit Gent. Het houten gereedschapskistje van de Leerstoel Charles Vermeersch wordt doorgegeven aan Willem Jan Neutelings van Neutelings Riedijk Architecten. Zijn voorgangers in de nog jonge traditie zijn bOb Van Reeth en Wim Cuyvers. In zijn voordracht, die hier verkort wordt weergegeven, looft Neutelings de recht-voor-de-raapse openhartigheid van Vermeersch: “Als Charles iets ‘peinst’ – zoals men dat zo mooi zegt ten westen van de Schelde – dan zegt hij het ook, en wel op een niet mis te verstane manier.”

“Het voorbeeld van Charles werkt aanstekelijk. Ik heb er de moed uit geput om vandaag een bommetje mee te nemen naar deze gewichtige academische bijeenkomst. Het leek mij een goed moment voor een beetje polemiek. Eeuwenlang was het in ons vak de normaalste zaak om te polemiseren, om publiekelijk te debatteren, om elkaar scherp te houden en om zo het vak vooruit te helpen. Natuurlijk vloog er wel eens iemand uit de bocht, maar er werd met open vizier en gelijke wapens gestreden. Jammer genoeg is debatteren uit de mode geraakt. Het publieke debat onder vakgenoten in Vlaanderen is de laatste twintig jaar vooral gekenmerkt door een zedig zwijgen. Onder het motto ‘leven en laten leven’ vermijden vooraanstaande architecten angstvallig om in het openbaar hun collega’s te bekritiseren. Het debat is naar de achterkamertjes gegaan, het is vervangen door roddel en achterklap, door eerroof en karaktermoord. Het leek me daarom tijd om eens een bommetje te laten vallen. U als publiek hoeft niet bang te zijn. Het springtuig zal in mijn eigen gezicht ontploffen: niet een gedegen academische repliek, niet een doorwrocht antwoord, maar een besmuikt gegniffel, een verwensing aan de cafétafel en een ruk aan het tapijt staat mij immers te wachten. Dat is tegenwoordig het antwoord op een polemist. Besmeurd met pek en veren zal ik vanavond deze stad worden uitgedragen.”

Voorgeschiedenis

1958.
Onlangs heb ik het definitieve bewijs in een vergeeld familiealbum teruggevonden. Een foto van mijn ouders, met de bollen van het Atomium op de achtergrond. Mijn ouders bezochten in september van dat jaar de wereldtentoonstelling in Brussel. Precies negen maanden later, op twee mei 1959, ben ik geboren. Ik werd verwekt op de Expo 58. Expo 58! Vijftig jaar geleden leek de Belgische Architectuur een zonnige toekomst tegemoet te gaan. Met een enorme klap barste een ongebreidelde positieve energie los over het land. Een vulkaan van vrolijke expressie, die aanlokkelijke vergezichten opende. Een orgie van wellustige vormen. Bollen, hyperschalen, pijlen, driehoeken, gekromde spanten en golvend multiplex. Paviljoens die leken op enorme bilpartijen, op fallussen en vagina’s. Vrolijke versieringen en decoraties, bloempatronen en levendige kleuren. De wereld zou vrolijk en optimistisch zijn, of ze zou niet zijn. Het Maximalisme heerste over België.

1968.
Tien jaar na de Expo. Mijn ouders besloten te verhuizen naar dit vrolijke land. Datzelfde jaar zwaaide ik mijn twee grote zussen uit die naar San Francisco vertrokken. Ze gingen daar een jaar studeren in een uitwisselingsprogramma. Mijn ouders hoopte dat mijn losbandige zussen discipline bijgebracht zou worden onder het strenge toezicht van een bevriende Jezuïet die in Berkeley wiskunde doceerde. Een slechtere keuze hadden ze niet kunnen maken. Mijn zussen kwamen in het illustere jaar ’68 in het epicentrum van het hippiedom terecht. Twaalf maanden later waren ze terug, blootsvoets, met India-jurken, met tamboerijnen, met Joan Baez-platen en met bloemen in hun haar. Een tweede optimistische golf van vrolijke patronen en kleuren overspoelde het land. Na een laatste beatmis draaide onze familie de kerk de rug toe en schakelde over op felgekleurde zitzakken, plastic borden, schreeuwerige gordijnstoffen, gigantische brilmonturen en olifantenpijpen.

1986.
Zevenentwintig jaar na de Expo. In mijn naïeve onschuld bouwde ik als piepjonge architect mijn debuutproject: ‘Huis te B’. Een tektonische collage in de Antwerpse bossen, schatplichtig aan de vrolijke Atoomstijl van ’58. Volgens mijn toenmalige projecttekst samengesteld uit een oude duikboot, een Italiaanse villa en een benzinepomp. Gebouwd met blauwgeglazuurde bakstenen, aluminiumplaten met zonnetjesmotief en roze geaderd marmer. Een hommage aan het gedachtegoed van de Expo, geïnspireerd op de buitenissige interieurs van beenhouwerijen en patisserieën die ik zo waardeerde in mijn nieuwe vaderland. Tijdens de bouw van dit project trof ik op een dag een onbekende man aan op de werf die mijn werk intensief bestudeerde. Ik was ontdekt door Marc Dubois. Marc heeft in de jaren 80 eigenhandig en belangeloos, als krachtige motor van de vzw Architectuurmuseum, een volledige generatie Vlaamse architecten op de kaart gezet en vervolgens twintig jaar in het zadel gehouden. Niet lang na deze ontmoeting werd ik door hem uitgenodigd voor wat een historische tentoonstelling zou worden: ‘Jonge Architecten in België’.

Monter toog ik naar de opening in het Designmuseum in Gent. Ik ging er vanuit dat ik ondergedompeld zou worden in het warme Belgische bad van wellustige vormen, vrolijke kleuren en merkwaardige materialen. Na een hoopgevende tocht door enkele goed gestoffeerde historische stijlkamers van het museum, kreeg ik de schrik van mijn leven in de tentoonstellingszaal. Daar spatte het ijselijke wit, het depressief makende grijs en het doodse zwart van de panelen. Al mijn generatiegenoten, van Beel tot Liebaut, van Robbrecht tot Crepain, van Van Hee tot De Smet-Vermeulen, bleken de meest Spartaanse projecten te hebben ingestuurd. Kale abstracte witte ruimtes, zonder kleur, zonder textuur, zonder tactiliteit, zonder vrolijkheid, ja zonder hoop. Mauro Poponcini – die tijdens de vernissage een verpletterende indruk op mij maakte met zijn roze bloemetjeshemd uit de allereerste zomercollectie van de nog onbekende Dries Van Noten – had de onwaarschijnlijke opdracht gekregen om ter gelegenheid van het Pausbezoek aan Leuven een troon voor Johannes Paulus te ontwerpen. Maar zelfs de flamboyante Mauro had deze uitgelezen kans op een barokke uitspatting laten liggen: hij had een strakke buisstoel voor Zijne Heiligheid bedacht.

Bij de aanblik van deze beklemmende architectuur van mijn confraters stortte mijn wereld in. Bij wat voor generatie hoorde ik? De tijdsgeest van de jaren 80 was onopgemerkt aan mij voorbijgegaan. Het was een depressieve tijd van conservatisme en besparingen, die krachtig verbeeld werd door dit Minimalisme van mijn leeftijdsgenoten. Ik stond helemaal alleen in mijn idee van een vrolijk Maximalisme. De vernissage eindigde in een hevige woordenwisseling tussen Eugène Liebaut en mijzelf, die bijna tot een handgemeen was ontaard als de flegmatieke Jan Bruggemans niet op tijd tussenbeide was gekomen. De hele tentoonstelling was een orkestratie van Goede Smaak. Alles wat er hing maakte korte metten met de stralende toekomst die ik in de jaren 50 als ongeboren vrucht op de Expo ervaren had en als adolescent in de jaren 70 als de normale Belgische conditie was gaan beschouwen. Hier werd de toon gezet voor Vlaanderen als een zelfverklaard oord van Goede Smaak, ontworsteld aan de vrolijke chaos van het Belgique á Papa, de weg gewezen door de Jonge Turken van het Vlaams Minimalisme. Het was een stijl die zich in de twintig jaar daarna als een olievlek over ons gewest zou verspreiden. Een stijl die tot op vandaag de architectuurrecensies en weekendbijlagen van de Vlaamse media zou vullen en ons wijs zou maken dat buiten haar lichtend pad niets anders bestond dan een woestijn van slechte smaak. Die dag in Gent daalde een verstikkende deken over Vlaanderen neer. Sinds die dag ligt onze regio, al twintig jaar lang, onder de knoet van het Minimalisme en haar Goede Smaak.

Beschimping van het Minimalisme.

Dames en Heren. Het Minimalisme is als de kleren van de keizer. Het pretendeert dat in het niets iets belangwekkends te zien zou zijn. De esthetisering van het minimale, de lofzang van het zwart en wit, het discours van het subtiele, de verstilling van het beeld, ik zeg u, het is fop. De compositie van het niets betekent daadwerkelijk niets. Dames en Heren, schater het uit, de keizer heeft geen kleren aan, de minimalistische architectuur heeft niets om het lijf.

Dames en Heren. Het Minimalisme weigert u comfort te geven. Het geeft u tafels met scherpe hoeken waar u uw knieën aan openhaalt. Het terroriseert u met deurgrepen waar u uw vingers in knelt, met rechthoekige badkuipen waarin u nog geen varken zou willen villen. Het ondermijnt uw gemoed met helle witte wanden die u gek maken van het licht. Met glaspartijen die u weigeren te beschermen tegen de zon, met platte daken die u weigeren te beschermen tegen de regen. Het berooft u van de sensatie van een vochtige kelder of een stoffige zolder. Het wil u laten wegkwijnen in lege holle ruimten, zonder huisraad, zonder boeken, zonder het troostend geluid van zingende kinderen. Het Minimalisme terroriseert u met haar Goede Smaak, het dwingt u tot een leven in eeuwige transparantie, als een opgeprikte vlinder in een vitrinekast.

Dames en Heren. Het Minimalisme weigert uw samenleving uitstraling te geven. Haar publieke gebouwen verbeelden niets, ze verwijzen alleen naar zichzelf. Expressie is het minimalistisch taboe. Het nieuwe gerechtsgebouw van Gent doet alsof het een standaard kantoorgebouw is. Het weigert te verwijzen naar de dramatiek van de geblinddoekte vrouwe Justitia die met haar zwaard ons lot doorklieft. Het Concertgebouw van Brugge vermomt zich als een Stealth-bommenwerper, onzichtbaar voor de radar, zich verschuilend voor de expressie van theatrale emotie of muzikale ontroering. Het Modemuseum in Antwerpen heeft de uitstraling van een lege vitrine na de solden, vergeleken bij de wulpse Modepaleizen verderop in de straat. De nieuwe Permekebibliotheek is een oude garage gebleven, met een interieur van kale betonvloeren en witte wanden waar je het zacht knisperen van literatuur op geurig geboende parketvloeren zou verwachten.

Het Minimalisme heeft zich ontdaan van alle versieringen, van alle decoraties, van alle patronen, van alle kleuren, van alle texturen, van alle geuren, van alle geluiden. Zelfs doodsaaie Zwitserse architecten versieren al jaren de gevels van hun gebouwen met prints van zwierige planten of ornamenten van rondborstige engelen. Het Minimalisme heeft het zintuiglijke architectonische instrumentarium om mee te communiceren gecensureerd. Het is doofstom en autistisch, niet meer in staat iets uit te drukken, alleen verwijzend naar zichzelf. Het houdt ons gegijzeld in zijn keurslijf van Goede Smaak. Zijn dwang is niet alleen esthetisch, maar ook politiek: het zet systematisch het klassenonderscheid tussen ingewijden en de anderen in de verf. Minimalistische architectuur vraagt van ons een permanente zelfkastijding, terwijl het weigert ons vertroosting te brengen. Waar is het comfort, waar is het genot, waar is de publieke expressie, waar is de stralende toekomst van dit land gebleven?

Proclamatie van het Maximalisme

Het Maximalisme wil in alles de tegenpool zijn van het Minimalisme. Een maximalistische gebouw staat fier op aarde, zelfverzekerd, sprekend, in dialoog met zijn omgeving. Het wil expressie geven, beelden evoceren. Het wil comfortabel zijn, gemak dienen. Het wil leesbaar zijn op vele schalen, het wil op vele niveaus begrijpelijk zijn. Het wil snel en langzaam zijn, actueel en tijdloos. Het wil gebouwen maken die robuust zijn en nurks, maar ook poëtisch en zacht. Gebouwen die imponeren maar ook ontroeren. Gebouwen die geuren en dampen, die galmen en fluisteren, die kreunen en kraken. Gebouwen die durven te verhalen.

Het Maximalisme wil geen Goede Smaak hebben, het wil zijn gebruikers niet dwingen. Het discrimineert niet tussen goed en fout. Zijn smaak is zoals het uitkomt, soms blits als een punker, soms duf als een bankier. Soms loopt het op afgetrapte slippers, soms op hoge hakken. Het Maximalisme is niet eenkennig. Het heeft niet één handschrift, één vorm of één kleur. Het beschikt over een wijd palet, een breed instrumentarium, als de parfummeester omringd door zijn geurorgel of de schrijnwerker met zijn overladen gereedschapskist.

Het Maximalisme put uit de gereedschapskist van ons vijfduizend jaar oude vak, dat van generatie tot generatie werd doorgegeven. Het gereedschap is stokoud, maar altijd weer bruikbaar. Het is getekend met het patina van de geschiedenis, met de kerven van eerdere projecten. We scherpen de vijlen, we wetten de messen, we slaan een nieuwe steel in een oude hamerkop, maar we blijven de oude instrumenten hanteren.

De gereedschapskist van het Maximalisme

Daarom is het idee van de gereedschapskist die als wisseltrofee van de Leerstoel Charles Vermeersch wordt doorgegeven zo mooi: het staat symbool voor het instrumentarium van ons ambacht, het architectenvak. Een gereedschapskist heeft geen Goede Smaak. Een gereedschapskist heeft geen beperkingen. De beperking zit in het hoofd van de architect die haar gebruikt. Ik zal de gereedschapskist dan ook dankbaar aanvaarden, en haar volgend jaar met liefde doorgeven aan een volgende ambachtsman. In ons boek ‘Aan het Werk / At Work’ hebben wij geprobeerd zestien verschillende instrumenten uit de Maximalistische gereedschapskist te beschrijven. Enkele daarvan zal ik hieronder kort toelichten.

Sculptuur
Maximalistische gebouwen zijn sculpturen in de stad. Ze hebben een eigen karakter, ze zijn nors, vrolijk, saai of serieus. Ze zijn kort van stuk of breedgeschouderd. Ze hebben een torso, een rug, een kop of een staart. Daarom moet een gebouw langzaam worden uitgehouwen, ontworsteld uit de piepschuimblokken van de maquettekamer. We denken de gebouwen in de eerste plaats als volte. Maximalistische gebouwen zijn nooit samenstellingen van wanden die lege ruimte omsluiten, ze zijn pure massa, zwaarte. Maximalistische architectuur is het uitdrukken van zwaarte, met de sculptuur als instrument.

Stapeling
Maximalistische gebouwen zijn gestapelde programma’s. In een wereld waar ruimte schaars is, is het stapelen van programma’s noodzaak. Maar stapelen is meer dan een streven naar dichtheid. Het geeft ook nieuwe betekenissen. Wat in het horizontale vlak een kluwen van programmatische nevenschikkingen is, opent in het verticale vlak nieuwe horizonten. De gelaagde positie van programma’s leidt tot een andere samenhang, tot een nieuwe routing, hiërarchie of identiteit. Stapels geschiedenis, educatie of cultuur worden nieuwe Maximalistische gebouwtypen.

Patroon
Maximalistische gebouwen worden naakt geboren. Daarna moeten ze worden gekleed. Omdat gebouwen nu eenmaal altijd in de openbare ruimte staan is het onvermijdelijk dat de uitdrukking van de gevel een publieke betekenis moet krijgen. Het kiezen van de juiste bekleding is dan ook cruciaal. Al zoekend ontstaan telkens andere decoratieve patronen waaruit de bekleding wordt gesneden. Filosofen, schrijvers, kunstenaars of grafisch ontwerpers helpen mee om de patronen samen te stellen en duiding te geven. Een patroon is compositie maar ook representatie, het laadt de maximalistische gevel op met betekenis.

Zintuigen
Maximalistische gebouwen moet je met alle zintuigen kunnen waarnemen. Je moet ze kunnen horen, ruiken, voelen, proeven. De zintuiglijke ervaring mag zich niet beperken tot één constante temperatuur en vochtigheidsgraad of één niveau van gedempt geluid of getemperd licht. Een gebouw moet briesen, fluisteren, dampen, kraken, walmen, tochten. De wisseling van de seizoenen moet voelbaar zijn. Het oproepen van zintuiglijke ervaringen vergt een andere schikking van het gebouw. Het vereist een houding waarbij het gebouw zélf als een klimaatmachine wordt ontworpen, zonder te leunen op toegevoegde machines. Zo krijgt het Maximalistische gebouw nieuwe architectonische mogelijkheden en onvermoede zintuiglijke ervaringen.

Scenario
Maximalistische gebouwen zijn het decor waartegen het leven zich afspeelt. Daarom is het ontwerpen van interieurs als het schrijven van een scenario. In een Maximalistisch gebouw verhouden de ruimtes zich tot elkaar als de scènes in een voorstelling. Materialen en kleuren, compositie en licht maken sfeer en identiteit. De aaneenschakeling van ruimtes is als het monteren van een beeldsequentie. We bedenken bijvoorbeeld het verhaal dat zich in elke ruimte af zal spelen of kiezen voor elke ruimte een archetypisch karakter en ontwikkelen van daaruit de interieurs. Zo ontstaan in de Maximalistische architectuur geënsceneerde ruimtes met verschillende verhalende lagen.

Textuur
Maximalistische gebouwen voelen prettig aan als je ze aanraakt. Daarom is het nodig om de huid van een gebouw een uitgekiende tactiliteit te geven. De textuur is het middel om die juiste tactiliteit te bereiken, niet alleen letterlijk in de streling met de hand, maar ook beeldend in de streling van het oog. De textuur van de gevel moet passen bij de fysieke aard van het gebouw. De korreligheid van de korst of de ruwheid van de steen versterkt het narratieve karakter van de gevel. Waterdichtheid of stevigheid zijn vanzelfsprekende eigenschappen voor een gevel, maar glans, dofheid, ruwheid, grobbeligleid, bekrassing of beharing zijn net zo relevant. De aard van de textuur vertelt immers een verhaal en bepaalt de uitstraling van het Maximalistische gebouw.

“Dames en Heren, beste Charles, tot zover een willekeurige greep uit de Maximalistische gereedschapskist. Ik zal dit kleine gereedschapskistje, de wisseltrofee die behoort bij de Leerstoel Charles Vermeersch, volgens de regels van de prille traditie één jaar lang zorgvuldig bewaren. Ondertussen hoop ik dat deze avond de spreekwoordelijke Maximalistische kist geopend is die een levendig debat in Vlaanderen zal veroorzaken en daarmee het einde van twintig jaar tirannie van Minimalisme en Goede Smaak.

Willem Jan Neutelings

WILLEM JAN NEUTELINGS

A+204 – februari-maart 2007

 

Written by cedricvp

29 oktober 2010 at 11:50

Geplaatst in RANDVERSCHIJNSELEN

vb. Lay-Out

leave a comment »

Written by lisbetcools

29 oktober 2010 at 09:50

The Wall

leave a comment »

Written by lisbetcools

29 oktober 2010 at 09:34

leave a comment »

Beste Fragile vriendjes,

1.Gisteren was er de lezing van Edouard Francois, waarvan ik een verslag zal schrijven. Er is toch nog niemand anders aan bezig, kwestie van geen dubbel werk te verrichten…

2.Morgenmiddag om 1 uur heb ik een interview gepland met Prof. Guy Van Kerckhoven, hij heeft heel interessante theorieën die nauw aansluiten bij de basisvraag rond Architectuur&Proces,Particicipatie, en de diepere betekenissen van Fragile. Mensen die geinteresseerd zijn, nodig ik van harte uit om mee te komen luisteren en te participeren.

Written by matsdekock

28 oktober 2010 at 09:43

Geplaatst in TELEX